Nieuwsbrief

Een Chinese vertelling

Door Thomas D’ansembourg uit Stop met aardig zijn
Dit Chinese sprookje toont hoe groot de kans is dat we ons in onze oordelen vergissen. Deze vertelling maakt de eerste stap van het model duidelijk: het waarnemen of het ontvangen van de werkelijkheid zoals ze is (altijd in wording) en niet zoals we vrezen of denken dat ze is. Dit sprookje houdt echter geen rekening met de aspecten gevoel, behoefte en verzoek, die deel uitmaken van de wijze waarop we ons zonder te oordelen tot de dingen en de gebeurtenissen verhouden. De oude Chinees in dit sprookje kan koud en gevoelloos overkomen. Desondanks houd ik van dit verhaal, omdat de oude man zich niet laat opsluiten in een verstarde en verstarrende visie op de werkelijkheid. Hij gaat altijd mee in de beweging, ontvangt wat er komt en, in tegenstelling tot de opgewonden en luidruchtige dorpelingen, blijft hij kalm en vol vertrouwen. Het is ook het verhaal dat de Chinese filosoof Lao Tsé graag vertelde:

Een arme Chinees riep de jaloezie op van de rijkste mensen van het land, want hij bezat een buitengewoon wit paard. Iedere keer als men hem voor het dier een fortuin aan bood, antwoordde de oude man: ‘Dit paard is meer dan een dier voor mij, hij is een vriend en ik kan hem niet verkopen.’

Op een dag verdween het paard. De buren, die voor de lege stal bijeengekomen waren, gaven hun mening: ‘Arme idioot, het was te verwachten dat dit dier gestolen zou worden. Waarom heeft hij het niet verkocht? Wat een ongeluk!’ De boer bleek wat bedachtzamer te zijn: ‘We moeten niet overdrijven,’ zei hij. ‘We kunnen stellen dat het paard niet meer in de stal staat. Dat is een feit. De rest is een oordeel van uw kant. Hoe weet u of het een ongeluk of een geluk is? We kennen slechts een klein deel van deze geschiedenis. Wie weet wat er nog zal gebeuren?’

De mensen maakten de oude man belachelijk. Al heel lang vonden ze hem maar een onnozele idioot. Twee weken later kwam het witte paard terug. Het dier was niet gestolen, hij had zelf de benen genomen en was naar de groene weide gegaan. En na zijn escapade kwam hij terug met een twaalftal wilde paarden. Opnieuw kwamen de dorpelingen samen: ‘Je had gelijk. Het was geen ongeluk, maar een zegen.
– Zover zal ik niet gaan, zei de boer. Laten we ons beperken tot de constatering dat het paard is teruggekomen. Hoe weten we of het een geluk is of een ongeluk? Het is slechts een deel van een hele geschiedenis. Kunnen we door één zin te lezen de inhoud van een boek kennen?’

De dorpelingen gingen uiteen, ervan overtuigd dat de oude man raaskalde. Twaalf mooie paarden krijgen was ontegenzeggelijk een gift uit de hemel. Wie kon dat nu ontkennen? De zoon van de boer nam de taak op zich de wilde paarden te dresseren. Een van hen wierp hem op de grond en vertrapte hem. De dorpelingen kwamen weer bijeen en gaven hun mening:
‘Arme vriend! Je had gelijk, deze wilde paarden hebben je geen geluk gebracht. Je enige zoon is verlamd. Wie zal je bijstaan in je oude dagen? Je bent echt te beklagen. – Niet zo snel, antwoordde de boer. Mijn zoon kan zijn benen niet meer gebruiken. Dat is alles. Wie weet wat het ons zal brengen? Het leven laat zich beetje bij beetje zien, niemand kan de toekomst voorspellen.’

Enige tijd later brak de oorlog uit en alle jonge mensen van het dorp moesten het leger in, behalve de invaliden. ‘Oude man, klaagden de dorpelingen, je had gelijk. Jouw zoon kan niet meer lopen, maar hij blijft bij je terwijl onze zonen de dood tegemoet gaan.
– Alsjeblieft, antwoordde de boer, oordeel niet te haastig. Jullie kinderen moeten het leger in en mijn zoon is thuis. Dat is alles wat we erover kunnen zeggen. God alleen weet of dat goed of slecht is.’