Nieuwsbrief

Over paden

01-08-2019

Dit fragment komt uit Over paden van Robert Moor.
Bestel direct 

Ooit, jaren geleden, ging ik van huis voor een groots avontuur dat erop uitdraaide dat ik vijf maanden lang naar modder staarde. Het was in het voorjaar van 2009, en ik wilde de hele Appalachian Trail, kortweg de at, van Georgia tot Maine lopen. Mijn vertrekdatum was zo gepland dat ik naadloos van een zacht zuidelijk voorjaar een milde noordelijke zomer in zou glijden, maar om een of andere reden is die warmte nooit gekomen. Het bleef dat jaar fris en het regende vaak. In de kranten werd het jaar vergeleken met de uitzonderlijke zomer van 1816, toen de mais op de velden met wortel en al bevroor, Italië werd bedekt door een laag roze sneeuw en de jonge Mary Shelley, opgesloten in een naargeestige Zwitserse villa, van monsters begon te dromen. Mijn herinneringen aan de trektocht bestaan voornamelijk uit natte steen en zwarte aarde. Op veel bergtoppen werd het uitzicht volledig aan het oog onttrokken. Gehuld in de mist, de capuchon over het hoofd getrokken, de ogen op de grond gericht, had ik kilometer na kilometer, maand na maand weinig meer te doen dan het pad onder mijn neus met Talmoedische concentratie te bestuderen.

Jack Kerouac beschrijft deze manier van lopen in zijn roman Dharma tuig als ‘de meditatie van het pad’. Japhy Ryder, een personage gemodelleerd naar de zendichter Gary Snyder, adviseert zijn vriend: ‘Kijk onder het lopen naar het pad onder je voeten en niet om je heen, dan raak je in trance terwijl de grond voorbijflitst.’ Het gebeurt maar zelden dat je als langeafstandswandelaar zo volledig gefocust bent op het pad zelf. Wanneer wij hikers klagen over een bijzonder zwaar deel van een tocht, zeuren we juist dat we de hele dag alleen maar naar onze voeten hebben gekeken. We kijken veel liever omhoog, voor ons uit, in de verte. Ideaal gezien zou een pad een discrete assistent moeten zijn die ons op een prettige manier door de wereld leidt en toch ons gevoel van autonomie en onafhankelijkheid intact laat. Dat is misschien de reden dat paden gedurende vrijwel de gehele literaire geschiedenis aan de periferie van ons gezichtsveld zijn gebleven, helemaal in het onderste randje van het kader: we achten ze letterlijk niet van belang.

Terwijl er honderden, en later duizenden kilometers pad onder mijn ogen weggleden, begon ik na te denken over de betekenis van die eindeloze kronkellijn. Wie had die gemaakt? Waarom bestaat hij? En waarom bestaan er überhaupt paden?

Ook nadat ik het einde van de Appalachian Trail had bereikt bleven deze vragen me bezighouden. Daardoor aangespoord, en omdat ik vaag voelde dat ze tot een nieuw intellectueel inzicht zouden kunnen leiden, ging ik op zoek naar de diepere betekenis van paden. Mijn jarenlange zoektocht naar antwoorden leidde alleen maar tot nog grotere vragen: waarom is het dierlijk leven zich eigenlijk gaan verplaatsen? Hoe doorgrondt een wezen de wereld? Waarom gaan sommige individuen voorop en volgen anderen? Hoe zijn wij mensen ertoe gekomen de wereld zijn huidige gedaante te geven? Stukje bij beetje begon ik me een panoramisch beeld te vormen van hoe paden als een essentiële richtinggevende macht op deze planeet fungeren: op elke schaal – van microscopische cellen tot olifantenkudden – vertrouwt alles wat leeft op paden om een overweldigende hoeveelheid keuzemogelijkheden te beperken tot één enkele efficiënte route. Zonder paden zouden we verdwalen.

Mijn zoektocht naar het wezen van paden bleek vaak lastiger dan ik had verwacht. Moderne padenstelsels worden vaak opvallend gemarkeerd met felgekleurde bordjes en wegwijzers, maar oudere paden lopen minder in het oog. De voetpaden van sommige eeuwenoude inheemse samenlevingen zoals de Cherokees waren slechts enkele centimeters breed. Toen de Europeanen Noord-Amerika binnenvielen, verbreedden zij langzaamaan delen van het inheemse padenstelsel: eerst om er paarden over te laten lopen en daarna om er karren en auto’s over te laten rijden. Nu is een groot deel van dat oorspronkelijke netwerk begraven onder snelwegen, maar je kunt nog altijd overblijfselen van het oude padenstelsel vinden als je weet waar en hoe je moet kijken.

Andere paden zijn nog vager. De sporen van sommige boszoogdieren in het struikgewas zijn soms zo onduidelijk dat alleen een ervaren spoorzoeker ze kan aanwijzen. Mieren bewegen zich voort langs chemische paden die volledig onzichtbaar zijn. (Een van de trucs waarmee je ze zichtbaar kunt maken is door een stukje grond te bestrooien met lycopodium, hetzelfde poeder dat de politie gebruikt om vingerafdrukken te zoeken.) Een aantal paden zijn ondergronds verstopt: termieten en naakte molratten graven tunnels in de aarde en markeren die met feromonen om zich te kunnen oriënteren. Nog fijnmaziger zijn de verknoopte zenuwbanen in het menselijk brein, die zo talrijk zijn dat zelfs de meest geavanceerde computers ter wereld ze niet allemaal in kaart kunnen brengen. En ondertussen is de technologie druk bezig zich in te bedden in een gecompliceerd netwerk van paden diep onder de grond en hoog boven ons in de ijle lucht, zodat informatie pijlsnel van het ene continent naar het andere kan worden overgebracht.

Ik kwam erachter dat de ziel van een pad, dat wat een pad tot pad maakt, niet vastligt in aarde en stenen, maar onstoffelijk is, vluchtig, veranderlijk als de lucht. Het wezen van een pad ligt in de functie ervan: hoe het voortdurend een andere vorm aanneemt om in de behoeften van zijn gebruikers te voorzien. We hebben de neiging de voortrekkers, de pioniers, te verheerlijken – stoutmoedigen die onbekend, nog niet in kaart gebracht terrein verkennen, zowel in letterlijke als in metaforische zin – maar de (na)volgers spelen een even belangrijke rol in de vorming van een pad. Zij schaven onnodige bochten bij en verwijderen obstakels, waardoor ze het pad op elke tocht verbeteren. Dankzij de activiteiten van deze volgers wordt het pad in de woorden van Wendell Berry ‘de volmaakte op ervaring en vertrouwdheid gebaseerde harmonie tussen beweging en omgeving’. In verwarrende tijden, wanneer alle oude gewoonten in een moeras lijken weg te zakken, is het goed om de ogen op de grond te richten en de vaak over het hoofd geziene wijsheid onder onze voeten te bestuderen.

In Over paden reist Robert Moor zeven jaar te voet over de wereld. Tijdens zijn tochten werd hem steeds duidelijker dat paden ons kunnen helpen om de wereld te begrijpen. De lezer volgt Moors ontdekkingstocht op de voet. Van onzichtbare mierenpaden naar paden die volledige continenten met elkaar verbinden, van snelwegen tot het internet: in alles volgen wij paden van hen die ons voorgingen.

In Over paden leidt een persoonlijke fascinatie voor wandelen en hiking tot een nieuwe geschiedschrijving van de wereld. Voor wie dit boek leest, zal geen pad ooit nog hetzelfde zijn.

‘Net als Montaigne stipt Robert Moor door over één onderwerp te schrijven honderd andere aan… Als een filosoof te voet doet hij verslag van zijn reis door kilometers wildernis én van zijn tocht door een geest die de betekenis van reizen zelf ontrafelt… De enige constante in Over paden is de belofte van verrassing.’ –The Wall Street Journal

€23,99
Bestel direct